De Aramese organisaties hebben de afgelopen jaren veel projecten en activiteiten opgezet. Gezien hun huidige situatie, kan ik niet anders dan waardering opbrengen voor de onvermoeide inzet van de bestuursleden.
Veel mensen hebben geen idee van de zware taken waarmee ze belast zijn. Zonder achtergrondkennis worden de verwachtingen vaak te hoog gespannen. Als ze niet waargemaakt kunnen worden, kan er teleurstelling, imagoschade of vertrouwensverlies ontstaan.
Ik vind dat
de Aramese verenigingen het verdienen om beter te worden begrepen en gewaardeerd. In het kort zal ik dit proberen toe te lichten.
Achtergrond
De staatloze Arameeërs hebben geen eigen land meer. Ze leven verspreid over de hele wereld. Daardoor ontberen ze de noodzakelijke middelen en faciliteiten, om zich als collectief op een gezonde, kwalitatieve en efficiënte wijze staande te houden dan wel te ontwikkelen.
Voor Nederlanders en Turken bijvoorbeeld, die wel een eigen staat hebben, is het hebben van middelen zeer gewoon en vanzelfsprekend. Hun overheden dragen immers zorg voor de collectieve kwaliteit, verbetering en promotie van het onderwijs, sport, cultuur, industrie, zorg, welzijn etc.
Al deze sectoren zijn inherent verbonden aan structureel gefinancierde beleidsprogramma’s. Aramese organisaties daarentegen worstelen om middelen te werven die gewoonlijk alleen van tijdelijk nut zijn. En die meestal slechts één activiteit of project gedeeltelijk mede financieren.
Als volk zonder land hebben de Arameeërs geen staat die automatisch zorg draagt voor dit soort dingen. Zij beschikken bijvoorbeeld niet over een Ministerie van OCW, universiteiten of door de overheid gefinancierde erfgoedinstellingen, zoals een Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Erfgoed Nederland, Meertens Instituut of Van Deinse Instituut.
Deze ideale en luxe situatie gaat niet op voor de Arameeërs. Er is geen enkele regering die zich om dit verlaten volk bekommert. Al helemaal niet de overheden van Turkije, Syrië en Irak, die keer op keer de internationale rechten inzake de minderheden en inheemse volken schenden. Dankzij hen zijn de autochtone Arameeërs juist hun vaderland ontvlucht.
De bovengenoemde instellingen zijn helemaal verweven in de Nederlandse maatschappij, algemeen erkend en hun maatschappelijke positie onbetwist. Maar de strijd van de Aramese organisaties begint al bij het aandringen op het belang van de eigen doelstellingen en zelfs van hun bestaansrecht.
Kerken en Zelforganisaties
Om het collectief bijeen te houden en naar een betere toekomst te leiden, zijn de Arameeërs afhankelijk van hun kerken en zelforganisaties.
De kerken zijn al eeuwenlang verankerd in de Aramese samenleving. Ze hebben daarom een solidere infrastructuur dan de organisaties, waarvan de meeste nog géén 30 jaar jong zijn. De geestelijk leiders zijn bovendien fulltime in dienst en stralen vooralsnog meer gezag uit.
De Aramese verenigingen daarentegen voeren allen vrijwillig hun taken uit. Naast hun hobby’s, werk-, studie- en sociale verplichtingen, voeren de bestuursleden van de Aramese organisaties in hun beperkte vrije tijd zowel leidinggevende als uitvoerende taken uit.
De twee Aramese instituties vissen eigenlijk uit dezelfde vijver. Daardoor is het voor de jonge zelforganisaties niet eenvoudig om evenveel middelen als de gevestigde kerken los te weken bij hun volk, dat daarnaast uiteraard ook gewoon belastingen afdraagt aan de Nederlandse overheid.
Bij vrijwel alles wat ze hebben bereikt, waren ze op zichzelf aangewezen. Af en toe konden ze zich tevredenstellen met een kleine externe subsidie. Maar voor het echte werk, de grote en duurzame projecten, schieten de eigen bronnen van de Aramese organisaties simpelweg tekort.
Hoge verwachtingen
Organisaties wekken logischerwijs verwachtingen. Maar het mag best een keer gezegd worden, vooral in het licht van het bovenstaande, dat men vaak onrealistisch veel van de vrijwilligersorganisaties verwacht.
Men verwacht dat zij de vele problemen en vraagstukken oplossen waarmee hun volk kampt. De verantwoordelijkheid om dergelijke zaken op te lossen wordt ook regelmatig bij hen in de schoenen geschoven.
Men verwacht dat ze zich 100% inspannen voor politieke vraagstukken, zoals erkenning van de genocides op hun voorouders, erkenning van hun collectieve bestaan als volk in de herkomstlanden, en erkenning van hun fundamentele mensenrechten als vrijheid van meningsuiting, godsdienst en onderwijs in hun moedertaal in de landen van herkomst.
Gemeenten en instanties komen ook telkens weer bij hen terecht voor antwoorden en oplossingen voor actuele problemen bij de Aramese jeugd, zoals criminaliteit, diverse verslavingsvormen, voortijdige schoolverlating of mentale en sociale problemen die kunnen ontstaan bij individuen die het lastig vinden tussen twee culturen op te groeien en te leven.
Rekening houdend met hun achtergrondsituatie en hun beperkte middelen, is het dus vrij logisch dat ze niet aan alle verwachtingen kunnen voldoen.
Ik beweer niet dat we hun functioneren niet onder de loep mogen nemen. Allereerst moeten organisaties zichzelf voortdurend
evalueren. Om zichzelf te overtreffen, moeten ze bereid zijn om naar hun omgeving te luisteren.
Niemand van ons gaat zonder fouten of gebreken door het leven. We zijn er juist om elkaar aan te vullen en te perfectioneren. Maar kritiek op bestuursleden moet wel altijd inhoudelijk, opbouwend en van nut zijn. Er mag geen ruimte zijn voor persoonlijk gerichte, destructieve kritiek.
De perceptie door buitenstaanders is essentieel. In een volgende bijdrage zal ik betogen dat de organisaties duidelijker naar het publiek toe moeten communiceren over datgene wat men van ze kan en mag verwachten.
Duurzaam investeren
Bij de meeste Arameeërs ontstaat er geen behoefte om terug te keren naar het land hunner vaderen. Vooral niet onder de huidige omstandigheden. Alle leiders en bestuurders hebben al vaker aangegeven hier een toekomst te willen opbouwen voor hun volk. Nederland wordt dus gezien en erkend als het nieuwe vaderland van de Aramese Nederlanders.
Dat betekent dat lokale, provinciale en nationale overheden eens serieus zouden kunnen overwegen om niet langer deels en incidenteel, maar juist structureel en duurzaam te investeren in de Aramese Nederlanders.
Alleen wanneer de potentie van de zelforganisaties wordt geoptimaliseerd, kan de Aramese gemeenschap in Nederland tot volle bloei komen, bepaalde huidige problemen opgelost en toekomstige problemen voorkomen worden.
Pas dan kan dit volk zich echt in de Nederlandse maatschappij wortelen en er op meerdere, gewichtigere en doeltreffendere manieren aan bijdragen. Dat de Aramese Nederlanders ijverig en ambitieus zijn, staat buiten kijf. Ze missen alleen nog de faciliteiten om optimaal te kunnen renderen.
Besturen vergt lef
Besturen is niet overal en altijd en voor iedereen even makkelijk. Vooral niet voor een ontheemd volk. En juist omdat ik de positie en de situatie van de Arameeërs heb leren begrijpen, heb ik respect voor hun bestuursleden.
Besturen is een grote uitdaging, die grote verantwoordelijkheden met zich meebrengt en lef vergt. Het is precies zoals een Arameeër, die in de eerste eeuw v. Chr. als slaaf naar Italië was vervoerd, het treffend verwoord had:
“Iedereen kan het roer vasthouden als de zee kalm is.”
